Het leven, de dood en een hamburger

//Het leven, de dood en een hamburger

Het leven, de dood en een hamburger

Hij steekt zijn hand op als ik binnenkom.
In zijn nieuwe kamer in het verzorgingshuis zit hij voortaan met zijn gezicht naar het raam en rug naar de deur. Nadenkend, biddend, mediterend. Bidden is immers meditatief. Hij kijkt me blij verrast aan. Zijn opgestoken hand was eigenlijk bedoeld voor zijn schoonzus die hij op dit tijdstip verwachtte. Zij en ik zijn deze keer samen binnen gekomen. Zijn blik is heel anders dan een week geleden. Ik ben op slag vrolijk terwijl het eigenlijk een enorme snertdag is voor mij vandaag.
Toen ik binnenkwam rook ik lekkere broodjes. Ongebruikelijk in mijn vaders kamer. Mijn vader leeft sober en heeft bovendien liever een snee brood dan een zacht bolletje. Ik ook trouwens. Vroeger haalden mijn ouders broodjes in huis als we bezoek kregen. Met de kermis bijvoorbeeld. Roomboterbroodjes van de warme bakker. Een luxe product. Net zoals frisdrank en chips.
Na gezoend te hebben gaan tante en ik zitten aan het vierkante tafeltje voor het raam terwijl mijn vader zijn gehoorapparaten in zijn oren stopt. Ik informeer naar het broodje dat op zijn bord ligt. Een leeg plastic bakje ernaast. ‘Op woensdag kun je iets extra’s krijgen bij de broodmaaltijd,’ vertelt mijn vader. ‘Vandaag een hamburger.’ Hij heeft deze doorgesneden met een groot broodmes. ‘Een hamburger’, lach ik. ‘De hoeveelste hamburger in jouw leven is dit?’ ‘De eerste,’ antwoordt hij met olijke blik.
Terwijl we daar zijn neemt hij geen enkele hap van het broodje vlees en sla. Het wordt koud. Maar als je nooit een hamburger hebt gegeten kan een koude hamburger net zo verrassend zijn als een warme lijkt me zo. En als je 95 jaar zonder hamburger hebt geleefd kunnen er nog wel een paar uur bij. Papa zit op zijn praatstoel. Ik hoef telkens maar één opmerking te maken over welk onderwerp dan ook en er volgt een heel verhaal. Ik vertel bijvoorbeeld dat mijn zelfportret met spiegel tussen koolzaadbloemen (‘Vanity’) bij de expositie in Mill komt te hangen. Als voormalig imker heeft mijn vader ervaring met groenbemesting in de vorm van koolzaad en mosterd. Hij haalt herinneringen op aan een grote oogst honing binnen twee weken in een mosterdzaadveld. Wel 60 potten. En als die koningin niet zoveel broed had gelegd waren het er zeker 40 meer geweest.
Hij vraagt of het zelfportret van hem en mij dat hij vorige week heeft gesigneerd er ook komt te hangen. ‘Nee, deze keer niet,’ zeg ik. ‘Eigenlijk moet je een keer die grote (80x120cm) meebrengen,’ suggereert hij, ‘dan signeer ik die op de achterkant met ‘liefde’. Ah, papa, ik pak even zijn gezicht vast. ‘Dan breng ik die wel een keer mee’. ‘Nee, nee’, lacht hij en wuift met zijn eigen typisch handgebaar. Bij nader inzien is de gedachte aan gesleep met een dergelijk grote foto veel te enerverend voor hem. Maar ik doe het binnenkort toch. Ik wil wel een foto met vaderliefde op voor- alsook achterzijde.
Buiten vliegt een roofvogel. Mijn vader wijst. Ik vraag of tante Mia hem een paragraaf heeft voorgelezen uit mijn verhaal ‘Perziken uit eigen tuin’ dat over hem gaat. Speciaal om mij te kunnen volgen op sociale media heeft ze ooit een mobiele telefoon aangeschaft. Ze wordt af en toe gek van dat ding. Het woord perziken ontlokt een herinnering over een koekoek in combinatie met onze perzikbomen in eigen tuin. Sinds vandaag weet ik dat onze perzikbomen slechts 4-5 jaar oogst opbrachten, maar dat we er een onverwoestbare wonderboom tussen hadden staan die jarenlang perziken leverde. De fruitbomen stonden pal voor de bijenkasten dus werden goed bevlogen. Grote opbrengst verzekerd.
‘Maar heeft tante Mia voorgelezen dat ik vroeg of je me als een prinses naar boven wilde dragen?’ vraag ik nog een keer. ‘Dat vroeg je ja,’ zegt hij. Zijn blik verraadt dat hij op dit moment het tafereel uit mijn jeugd voor zich ziet. Hij spreidt zijn armen alsof ik er weer in lig. ‘Papa, draag je me nog eens als een prinses?’ herhaalt hij. Hij haalt ook een herinnering op aan mijn broer, staande op de trap toen hij die net kon beklimmen. Mama had er een prachtige foto van gemaakt, aldus mijn vader. Ik zie Erics stralende snuit voor me, want weet welke foto hij bedoelt.
Ik laat hem de foto’s zien die ik vorige week van hem maakte en op sociale media plaatste bij mijn verhaal. Opeens kijkt hij me aan en vraagt: ‘Welke foto willen jullie eigenlijk op mijn bidprentje?’ ‘Aan welke foto denk jij?’ vraag ik. Hij kijkt peinzend. ‘Wil je er wel een foto op?’
‘Ik heb een tekening gemaakt,’ antwoordt hij en beschrijft gedetailleerd kruis en wandelende postbode. ‘Ik kan die tekening fotograferen,’ stel ik voor. ‘Ja, maar die heb ik in mijn hoofd gemaakt,’ zegt hij. ‘Zal ik een vel papier meebrengen zodat je echt kunt tekenen?’ ‘Nee, nee,’ hij lacht en wuift weer. ‘Tja, dan kan ik er geen foto van maken,’ zeg ik.
Terwijl we praten fotografeer ik hem maar ook zijn hamburger.
‘Waarom heb je trouwens ooit gezegd dat ik maar niet moet spreken in de kerk bij jouw begrafenis?’ vraag ik. ‘Het is dan zo druk, zo’n gedoe,’ antwoordt hij. ‘Maar ik kan dat heel goed, hoor,’ verzeker ik hem. ‘Dan ga je maar naast Eric staan, want die wil vast iets over mij vertellen,’ stelt hij voor. ‘Mag ik niets zeggen en alleen maar naast Eric staan? Ben je bang dat ik ga huilen? Wil je me beschermen?’ Ik kijk hem vragend aan. ‘Nou ja, als Eric heeft gesproken dan zeg jij daarna maar iets,’ is zijn nieuwe voorstel. ‘En als ik dan als eerste iets wil zeggen over jou?’ vraag ik.
Weet je, dit hele gesprek gaat nergens en ergens over. We moeten er eigenlijk vreselijk om lachen. Ik probeer hem uit zijn tent te lokken. Mijn papa is een geëmancipeerde man en toch soms ouderwets. Hoe kan het ook anders? Mede daarom is het bewonderenswaardig hoe hij vaak opkwam voor de rechten van vrouwen. Hij heeft zich bijvoorbeeld ooit van het zangkoor afgesplitst met een groep vrouwen, omdat vrouwen geen Gregoriaans mochten zingen. Dat vond hij belachelijk, bovendien vond hij het belangrijk dat de Gregoriaanse gezangen bleven voortleven.
Ik laat mijn vader en tante de zojuist geschoten foto’s op mijn telefoon zien. We liggen met zijn drieën in een deuk om zijn broodje hamburger met rozenkrans pontificaal er naast. ‘Heb je gebeden voor het eten? Bid je dan nog steeds het ‘Engel des heren’? vraag ik. Het ellenlange gebed dat we vroeger thuis voor het eten baden terwijl ik met knorrende maag bijna omkiepte van de honger. ‘Nee, het ‘Engel des heren’ bid ik op een ander moment, maar ik heb wel gebeden’ antwoordt hij.
‘Vind je dit geen toffe foto voor jouw bidprentje?’ ‘Het laatste avondmaal, terwijl het je eerste hamburger is. Hoe symbolisch.’ Mijn vader vindt dit nog niet zo’n slecht idee.
We relativeren er samen op los. Het leven, de dood. We zien alles onder ogen. Goh, wat kan ik vrolijk zijn dankzij mijn vader (én tante) op een kutklotenpokkendag. Ik kan alles en iedereen weer aan.

 

2018-09-07T11:04:58+00:00

About the Author:

3 Comments

  1. Eddie keyaerts 07/09/2018 at 12:25 - Reply

    Mooi geschreven

  2. Marlène Huwaë 07/09/2018 at 13:43 - Reply

    Geweldig! Prachtverhaal en mooiste bidprentje ever! ♥️

  3. Maria 07/09/2018 at 16:04 - Reply

    😘❤

Leave A Comment