Waarom zou ik schrijven over jouw hand? Jouw hand die tussen waken en slapen op me rust en liedjes op mijn lichaam componeert. Liedjes schrijven vind je het leukste wat er is. Als jouw vingers in de halfslaap mijn heup als een toetsenbord bespelen, voel ik me geliefd en net zo belangrijk voor jou als jouw liedjes.

Wanneer ik in de nacht opsta om naar de wc te gaan, til ik jouw hand behoedzaam op en leg haar op de matras waar ze op me blijft wachten. Nadat ik me weer onder de deken heb genesteld, pak ik jouw hand voorzichtig om haar vervolgens op mijn heup of been terug te leggen. Ik slaap als een ballerina. Op mijn zij, één been gestrekt, het ander met het knie tot aan mijn neus opgetrokken. Zachtjes streelt jouw hand mijn lichaam terwijl je slaapt. Een enkele keer kruipen jouw vingers tussen mijn dijen. Overdag – als je bij bewustzijn bent- zeg je vaak: ‘Die benen!’, terwijl je er bewonderend naar kijkt. ‘Ik heb er twee,’ antwoord ik dan. Soms maak ik met gespierde kuiten balancerend op mijn tenen een aantal danspassen. Ooit wou ik immers danseres worden.

In mijn eentje in de badkamer inspecteer ik mijn ledematen op cellulitis, spataderen, hangende dijen… ik wil je blij blijven maken met mijn benen. Je zegt dat je me net zo mooi zult vinden als ik ben afgetakeld. (Dat laatste woord gebruik ikzelf, jij niet.) Belangrijker: dat je dan net zoveel van me zult houden als nu. In het donker van de nacht onder de deken voel ik me mooi. In gedachten zie ik jouw vaders hand die een tijd geleden nog de hand van jouw moeder greep. Het leek of hij haar nooit meer wou loslaten. Hij was bang om te gaan. Houd je net zoveel van me als jouw vader van jouw moeder hield? We kennen elkaar lang niet zo lang als zij elkaar hebben gekend. Dat is onmogelijk en zal nooit gebeuren. Die tijd samen hebben we niet.

Nu ligt jouw warme hand op mijn rug. De enige hand in de tweede persoon die mijn lichaam kent en beroert gelijk de mijne. Liefdevoller eigenlijk. Mijn eigen handen kunnen hard en streng zijn voor mezelf. Terwijl jouw geest op weg is naar dromenland, dansen jouw vingers als de poten van een spin over mijn huid. Je hebt altijd liedjes in jouw hoofd net zoals ik voortdurend beelden en woorden in mijn hoofd heb. Ik vraag me af welk liedje jou op dit moment wordt ingefluisterd en denk aan de musicus Giuseppe Tartini. Ik ben ervan overtuigd dat in ons geval niet de duivel aan het werk is, maar minstens een God van liefde als die al bestaat. Onze liefde is van zichzelf echter goddelijk genoeg.

Langzaam worden de vingers rustig. Jouw ademhaling wordt diep en zwaar. De dansende spin op mijn rug glijdt naar beneden waar die op mijn heiligbeen blijft liggen. Jouw liedje is gecomponeerd. Nu kan ik ook gaan slapen, maar eerst wil ik vertellen over jouw hand. Ik til haar op en leg haar behoedzaam op de matras. Ik sta op en ga schrijven in de wetenschap dat er op me wordt gewacht.