Zijn hand ligt beschermend onder mijn kin. Ik zit op de grond aan zijn voeten. Hij ziet er breekbaar uit in zijn rolstoel. Zijn ene been is net uit het gips.
‘Volgende week word ik zesennegentig jaar,’ zegt hij. ‘Wie had dat gedacht?’
‘Ik ben er blij mee,’ antwoord ik.
‘Ik wil nog wel een paar jaar,’ zegt hij tot mijn verrassing. Tot voor kort had ik het idee dat hij het welletjes vond.
‘Voor ons of voor jezelf?’, vraag ik.
‘Nou, zoals het nu gaat….’ Zijn antwoord zweeft in de ruimte. Ik concludeer dat hij niet alleen voor ons leeft, maar ook voor zichzelf. Gelukkig. Stiekem denk ik dat hij langer wil leven in de hoop dat het meningsverschil binnen onze familie tegen het einde van zijn tijd is opgelost. Ik ben sceptisch, ook al was ik lang van goede wil. In gedachte hoor ik de anderen smalend lachen als ze dit lezen. Misschien vergis ik me. Ik mag immers niet invullen voor anderen.

‘Binnenkort veranderen er een paar dingen,’ vertel ik mijn vader. Zonder al te zeer in detail te treden, leg ik hem uit dat hij zich geen zorgen over me hoeft te maken. Nu niet en in de toekomst niet.
‘Ik maak me geen zorgen,’ verzekert hij me. Hij put kracht uit zijn dagelijks gebed.

Als moeder van drie kinderen weet ik echter dat ouderschap ‘levenslang’ betekent. Met dat woord beschrijft mijn buurvrouw het ouderschap. Dat heeft een negatieve connotatie. Zo is het echter niet bedoeld. Het is een feit, een verantwoordelijkheid. Als ouder blijf je levenslang bezorgd om je kinderen. Mijn vader dus ook. Misschien wel dubbel zoveel, omdat mijn moeder er al heel lang niet meer is. Hij probeert dat gemis voor ons te compenseren. Dat lukt hem overigens goed.

Ik leg mijn hoofd op zijn knie. We kijken elkaar aan. Het is gek dat je elkaar zo lang kent en toch niet voor de volle honderd procent, ongeacht hoe diep je elkaar ook in de ogen kijkt. Ik beleef in stilte het moment en voel zijn kromme vingers op mijn hoofd. Ik sluit kort mijn ogen, daarna kus ik hem gedag en vertrek. Emotioneel uitgeput. Niet alleen verdriet, ook geluk kan een mens slopen. Vandaag ervaar ik beide.

Ik laat mijn moe hoofd op liefs schouder zakken. Van knie naar schouder. Van man naar man. Verschillende soorten liefde. Via de spiegel in de lift kijken we elkaar aan. Ik zie er afgepeigerd uit. Hij kijkt bezorgd. Hem ken ik ook niet honderd procent. Misschien is het wel goed als er iets te raden over blijft.

Toen we net verkering hadden, zei zijn (inmiddels vijfennegentigjarige) moeder tegen me: ‘Beloof je me dat je goed voor hem zorgt? Dan mag je hem hebben.’ Volmondig zei ik ‘ja’ en vanaf het begin voeg ik de daad bij het woord. Zijn moeder en ik lachen er samen vaak om. We plagen hem en zeggen dat hij niet alleen vroeger, maar ook nu nog steeds wordt verwend.

Levenslang, zie je wel?

Via de spiegel werp ik een laatste blik op liefs gezicht. Daarna sluit ik mijn ogen. Mij kan niets gebeuren, er wordt veel van me gehouden, zelfs over de grens van levenslang.

The prodigal daughter (self-portrait with my father)