De band van de bloeddrukmeter spant zich rond mijn bovenarm. Het motortje bromt, terwijl de band zich vol lucht zuigt. Meten is weten. Het apparaat ligt er toch. Aangeschaft in een ver verleden. Opnieuw verbaas ik me over mijn enorm gezonde bloeddruk, stress en valkuilen des levens ten spijt. Ik lijk niet kapot te krijgen. In het verleden werd me wel eens het goedbedoelde advies gegeven pillen te slikken. Niet door doctoren, nee, want die bezocht ik niet, maar door mensen die veel om me gaven en mijn worstelingen vanaf de zijlijn gadesloegen. Andere mensen, die het minder goed met me voor hadden, probeerden me de goot in te jagen. Het is hen niet gelukt. Niet alleen mijn lichaam is veerkrachtig, mijn geest is het ook. Mijn gezond verstand is sterk. Ik wil op eigen kracht (over)leven. Pillen heb ik nooit geslikt.

Het is interessant te ervaren, dat ik met mijn gedachten mijn bloeddruk kan verlagen. Soms denk ik tijdens een bloeddrukmeting aan vroeger. Hoe ik in mijn eentje in het zwembad van mijn oom urenlang met mijn hoofd onder water bleef. (Niet aan één stuk door natuurlijk, grapjas.) Gewichtloosheid, maar ook doffe geluiden van de pomp en het klotsen van water tegen de rand, probeer ik in herinnering te roepen. In gedachten schommel ik in het bad. Soms met een duikbril op. Er is niet veel te zien. Af en toe een insect, een blaadje, mijn voeten, de vouwen in het blauwe plastic op de bodem. Het zwembad bevond zich op een afgelegen stuk grond. Vaak was ik er alleen. Soms met mijn jongere neefje. Als ik hieraan terugdenk, word ik weer kind zonder zorgen en mijn bloeddruk daalt.

Een andere bloeddrukverlagende gedachte is die aan een hand op mijn hoofd. Tegenwoordig is dat vaak de hand van mijn lief die naast me slaapt. Soms ligt zijn hand op mijn heup of bil. Dan denk ik aan iets anders en stijgt mijn bloeddruk. Dit terzijde. Vroeger was het de hand van mijn moeder of vader die mijn hoofd beroerde. De hand van mijn moeder mis ik al vijfentwintig jaar. Ooit zei mijn broer dat mijn handen op de hare leken. Niets is minder waar. Ze lijken op die van mijn vader, inclusief snel splijtende nagel van de middelvinger en ietwat gebogen wijsvingers. Mijn broer zit er wel vaker naast in zijn oordeel over mij.

Hoezeer ik de hand van mijn moeder ook mis, de hand van mijn vader mis ik sterker. Zij is dood, hij leeft nog, maar hij zit in een rolstoel. Dat mijn moeder me niet meer kan aanraken is logisch. Ik heb me neergelegd bij dat gemis. Het is echter niet gemakkelijk om dichtbij mijn vader te kruipen, zodat hij zijn hand op mijn hoofd kan leggen. Heel soms lukt het, maar het is zo’n gedoe waardoor het spontane van het gebaar is verdwenen. Ik ben bang dat ik hem lastig val op zoek naar de beschutting van zijn kromme, gevlekte hand. Ik wil niet veeleisend zijn. Hij heeft me al zoveel gegeven en geeft nog steeds.

Tijdens het bloeddrukmeten denk ik aan liefhebbende handen die me koesteren. Handen uit het verleden, handen uit het heden. Door visualisatie van deze aanraking daalt mijn bloeddruk gestaag, tot zekere grenzen vanzelfsprekend. Met gedachtekracht bestuur ik mijn onderbewustzijn. Met verbeeldingskracht maak ik mijn werk. Creëren maakt mij gelukkig, daardoor daalt mijn bloeddruk eveneens. Het menselijk brein is tot veel in staat. Zo’n bloeddrukmeetapparaat dat in mijn huishouden overbodig leek, bleek juist heel leerzaam. Het verschafte me inzicht en gaf daardoor een geheel nieuwe betekenis aan de uitdrukking ‘meten is weten’.

Faith, hope & love, 2010 (self-portrait with my father)

Faith, hope & love, 2010 (self-portrait with my father)