Gisteravond was ik bij mensen op bezoek waar ik ooit één keer eerder was geweest. Om precies te zijn: nadat ik een gigantische deuk in hun op straat geparkeerde BMW had gereden. In die tijd was ik erg moe. Lang daarna kwam ik erachter dat ik waarschijnlijk op dat moment de ziekte van Pfeiffer onder de leden had. Ondanks de deuk waren ze erg aardig. Niet boos. Ik kreeg een glas water voor de schrik. We vulden samen de verzekeringspapieren in. Gelukkig was ik all risk verzekerd.

We gingen gisteren bij hen op bezoek om eens normaal kennis te maken. Rond middernacht, net voordat hun drie poezen ter sprake kwamen, kreeg ik enorme steken in het linkergedeelte van mijn borstkas. Zo erg dat ik naar mijn boezem greep en een geluidloze ‘au’ produceerde. Ik schrok. Het eerste waaraan ik dacht: mijn kinderen, wie zorgt er voor mijn kinderen als ik erbij neerval? Het tweede: niet laten merken aan gastheer/-vrouw dat ik pijn heb. Ik ben immers pussy noch aandachttrekker. Ik wil niet onbeleefd zijn.

Toen het gebeurde stonden we min of meer op het punt om te vertrekken. In de gang bewonderde ik de fotocollage van hun kinderen aan de wand en ik wilde per abuis via de wc-deur het huis verlaten. Ik lachte nog om mijn blunder toen ik de voordeur opende. Buiten zei ik meteen: ‘Ik heb pijn!’ Eigenlijk hijgde ik het, want ik had vreselijke pijn. Ik besefte me terdege dat er veel oorzaken voor steken zijn, variërend van gasbel tot spierpijn, maar het kan natuurlijk ook iets van een geheel andere orde zijn.

Lief stond erop dat ik op bed mijn bloeddruk opnam. Ondanks alle horror en stress in mijn leven is mijn bloeddruk een constante factor. Ik vraag me regelmatig af waaraan ik ooit zal sterven, omdat ik  tot dusver nagenoeg alles koelbloedig overleef. De meter gaf een voor mij torenhoge bloeddruk aan. Lief vroeg of ik me niet te zeer alles aantrok wat ik te horen had gekregen. Ik had gisteren inderdaad een nare, agressieve brief ontvangen afkomstig van de woordvoerder van mensen waarvoor ik mij enorm heb ingezet, maar die mij per se in een voor mij onverklaarbaar ongunstig daglicht willen zien. Ook had ik gisteren hartverscheurende verhalen gehoord, waarbij mijn moederhart meeleed.

Terwijl lief me omhelsde, fluisterde ik in zijn hals: ‘Ik houd van jou.’ Zijn bezorgdheid om mij was overduidelijk. Hij hield me stevig vast en antwoordde dat hij ook van mij hield.

Het klopt dat ik veel leed absorbeer, maar mijn zelfportretten zijn mijn uitlaatklep van alle emoties. Toch ben ik óók een binnenvetter. Ik slik vaak om een ander niet te kwetsen. Vind mezelf minder belangrijk dan het welzijn van degene in kwestie. Zelfs op het moment dat ik dreig om te kiepen, wil ik blijkbaar geen hinder veroorzaken, niet lastig zijn. Dan denk ik nog eerst aan anderen: mijn kinderen, de gastgevers.

Als ik assertief ben, is het meestal in andermans belang, niet voor mezelf. Ik vermoed dat velen denken, -voornamelijk aan de hand van mijn zelfportretten-, dat ik niet op mijn mondje ben gevallen. Dat ben ik ook niet, maar toch zou ik mijn mond vaker mogen roeren in mijn eigen belang.

Om middernacht ben ik veranderd. De steken en mijn automatische reactie daarop waren een waarschuwing en hebben me tot denken aangezet. ‘Ik dreig niet, ik doe een belofte’, zegt een stem in mijn hoofd.