In mijn gedachten zit ik in een trein naar een ver land. In werkelijkheid lig ik in bad. Oftewel, ik bevind me in het warme water van de baarmoeder. Af en toe komt er een app op mijn telefoon binnen van mijn oudste dochter die echt in de trein zit. Liever gezegd, die bepakt en bezakt met een Hollandse fiets aan de hand van de ene naar de andere trein holt om te verhuizen naar een ver, ver land. Ver weg van mij.

In mijn hoofd reis ik met haar mee. Al vanaf haar geboorte. ‘Partus’, bevalling, verlossing, ‘partir’, vertrekken. Zodra een kind wordt geboren, vertrekt het alweer. Als de navelstreng wordt doorgeknipt, wordt het afscheid in werking gesteld. Eerst liep mijn dochter nog aan mijn hand. Daarna helemaal zelfstandig. Eerst fietste ze met een beschermende hand op haar rug. Toen reed ze dagelijks alleen ruim tien kilometer naar de middelbare school. Vervolgens reisde ze per trein naar de universiteit. Daarna ging ze op kamers wonen. We doorliepen samen deze fasen op weg naar verzelfstandiging.

Kinderen vliegen uit. De wijde wereld in. Zo hoort dat. Toch voelt het op dit moment alsof een stuk van mijn lijf wordt afgesneden. Of misschien – beter gezegd – voelt het opnieuw als een bevalling zo in het warme badwater. Ze gaat nu immers erg ver weg wonen. Ik ben blij dat ze zo zelfstandig is, dat ze haar vleugels durft uit te slaan. We zijn beiden best goed in loslaten. Ik vermoed dat dit komt doordat we toch wel van elkaar weten dat we er zijn. We hebben elkaar wel en niet nodig.

Inmiddels heeft ze een paar overstappen achter de rug. En een vertraging, bijgevolg een omboeking van de reis. De fiets mag nog steeds mee. Dat is niet altijd zo. Alleen als er voldoende plaats is. Dus ze heeft geluk. Een aardige conducteur die haar met alle spullen zag rennen, floot expres een beetje later, zodat ze de trein nog net kon halen.
De meeste Duitse treinen schijnen een grotere gaping tussen deur en perron te hebben dan de Nederlandse. Als kind vond ik het mega-eng om er overheen te stappen. Zij ook, laat ze me weten via app. Toch stapt ze vandaag onbevreesd over diverse grote kloven op weg naar een nieuw land. Hoe symbolisch eigenlijk.

Even wordt het me te veel. Ik sla mijn handen voor mijn gezicht. Er vloeien tranen over mijn warme wangen. Daarna vermengen ze zich met badwater. Niemand die het merkt. Vierentwintig jaar geleden, bij de bevalling, heb ik geen traan gelaten. Misschien omdat ik wist, dat het echte afscheid nog een tijd op zich zou laten wachten. Ik wist dat ik haar voorlopig van nabij kon overladen met liefde. Over een aantal uren zal ze arriveren op de plaats van bestemming. Althans, een voorlopige bestemming, want wie weet reist ze ooit verder of komt ze weer terug. Ik denk niet dat ze er voor eeuwig blijft wonen. Wie zal het zeggen?

Mijn oudste kind: ik ben trots op jou en ik hou van jou. In de toekomst reis ik in gedachte in dat verre land samen met jou. Misschien vind je dat niet nodig, maar ik kan het niet laten, ik ben nu eenmaal jouw mama. Dit is gewoon een nieuwe fase. In gedachte overlaad ik je van een afstand met liefde. We hebben nog niet definitief afscheid hoeven nemen. Ik hoop dat je gelukkig bent.