Een tijd geleden kwam me ter ore dat sommige mensen mijn selfies met mijn vader niet begrijpen. Net alsof ik ergens mee koketteer, waarop ik geen recht heb. Dat onbegrip, afkomstig van een of meerdere naasten, raakte me zeer.

Regelmatig worden mijn zelfportretten niet begrepen. Dat kan me niets schelen. Maar dat een foto van mijn vader en mij verkeerd wordt geïnterpreteerd door mensen die me na aan het hart liggen en dat er door diegenen een verkeerde lading aan wordt gegeven, doet pijn. Dat betekent dat diegenen me slecht kennen, zelfs na al die jaren, en dat stelt teleur.

Ik zal het proberen uit te leggen. Ik ken heel goed het verschil tussen een goede en een slechte vader. Mijn vader is goed. De verwekker van mijn drie kinderen mag volgens mij het predicaat ‘vader’ niet dragen, aangezien hij op geen enkele manier voor ze zorgt. Ze ontvangen liefde, tijd noch geld van hem. Ik ben iemand die het positieve probeert te benadrukken in plaats van te fulmineren over het negatieve. Verdriet relativeer ik vaak met humor. Regelmatig krijg ik complimenten voor de humor in mijn werk. Kijk eens heel goed naar sommige foto’s, er is vaak meer te zien als je ervoor openstaat.

Elke foto die ik van mijn vader maak, is een eerbetoon, een bewijs van onze wederzijdse liefde. Tevens een bewijs van mijn dankbaarheid en trots. Vanzelfsprekend heeft mijn vader steken laten vallen, net als iedere andere ouder en net als ikzelf in de opvoeding van mijn kinderen. Hij heeft er een paar keer iets over gezegd tegen mij. Telkens als hij dat doet, breekt mijn hart. Het doet goed dat hij het uitspreekt, maar toch is het eigenlijk niet nodig. Alles is te verklaren met liefde. Hij hield zoveel van mij, dat hij me koste wat kost wilde beschermen en me daarom niet voldoende vrijheid gaf om bijvoorbeeld danseres te worden of om te gaan studeren. Het was niet makkelijk voor mij in die tijd, maar daar kan ik nu toch niet meer boos over zijn? Hij houdt nog steeds onvoorwaardelijk van mij, terwijl hij vast niet alles begrijpt van wat ik doe en hoe ik leef. Hij steunt me en probeert zich in mij te verplaatsen en daarmee geeft hij me nu wel alle vrijheid. Toen ik lang geleden met mijn zelfportret ‘Banquet’ (naakt met varkenskop naast me op tafel) in de krant stond, spraken de mensen uit het dorp hem erop aan. Ik had hem nooit de achterliggende gedachte van die foto verteld. Hij antwoordde: ‘Dit zelfportret gaat over de positie van de vrouw in de hedendaagse maatschappij.’ Spijker op z’n kop, papa. In mijn boek ‘A house is not a home’ heb ik als ondertitel erbij staan: ‘Being flesh and blood doesn’t automatically imply being a piece of meat.’

Mijn papa staat op foto’s – al dan niet samen met mij –  tussen mijn naakt- en andere portretten. Is dat het wat anderen niet begrijpen en wat hen stoort? Mijn werk is mijn dagboek. Soms ben ik bloot en soms ben ik aangekleed. Soms ga ik bij papa op bezoek en soms ben ik thuis. Zo gaat dat in het dagelijks leven en dus ook op mijn zelfportretten. Ik ben bloot geboren en papa hield me na mijn geboorte meteen vast. Volgens hem kwam ik lachend ter wereld. Hij kijkt verder dan het oppervlakkige  vlees.

In de Hermitage in Amsterdam las ik vorige week: ‘De Grieken associeerden naaktheid met heroïek, triomf en morele excellentie. Naakt ging om schoonheid, niet om seksualiteit.’ Ook las ik daar: ‘Wist u dat na de oudheid naakt werd gezien als zondig? Heiligen werden wel halfnaakt afgebeeld, waarbij hun naaktheid stond voor een geestelijk gezuiverd lichaam.’ Stof tot nadenken, lijkt me zo.

Elke foto maak ik met zuivere intenties, dus ook de portretten van mijn vader. De laatste keer dat ik bij hem langs ging, was hij een beetje ziek. Hij zag er breekbaar uit. Zijn humeur en gevoel voor humor hadden er niet onder te lijden. Wéér een reden om trots op mijn vader te zijn. Tevens een reden om een foto van hem te maken. Door zijn kwetsbaarheid toont hij zijn kracht. Papa en ik hebben veel raakvlakken.